Bieuwkje Wijnalda

In dit artikel wordt de afstamming beschreven van Bieuwkje Wijnalda, de vrouw van Gerrit Hendriks van der Kaap, kleinzoon van de eerste Van der Kaap, Karst Jacobs. In 1911 nam hij de achternaam Van der Kaap aan.

Wijnalda, Buma en Birsema


Bieuwkje Wijnalda

Bieuwkje Wijnalda was de vrouw van Gerrit Hendriks van der Kaap, het enige kind van Elske van der Kaap (1799-1859) dat haar achternaam draagt. Al haar zeven andere kinderen heetten Van der Lei. Zij waren de kinderen van Louwe Luitzen van der Lei. Gerrit Hendriks, geboren in 1821,  was een voorkind van Elske. Pas zeven jaar na zijn geboorte trouwde Elske met Louwe Luitzen. Naar alle waarschijnlijkheid was zijn vader Hindrik Oeges Klinkert. Het verhaal van de speurtocht naar zijn naam leest u elders op de website.

 

Bieuwkje stamde uit een doopsgezonde familie uit Surhuisterveen. Haar achternaam Wijnalda dankt zij aan de vrouw van haar overgrootvader (Johannes Douwes), Janke Eilerts Wijnalda, gedoopt in Dantumawoude. Zij was de dochter van een doopsgezinde leraar (dominee), Ellert Wijnalda, een leken voorganger zouden wij zeggen, want hij had geen theologie-opleiding gehad. Maar het leraar zijn zat wel in zijn bloed, want ook zijn broer Age was leraar, in Haarlem. Deze Age is in 1754 geridderd in Herrenhausen (Hannover) door de koning van Groot-BrittanniŽ voor diensten verleend aan de kroon. Onduidelijk is wat dit voor diensten waren. Zijn zus Gezina was getrouwd met Jansz Nieuwenhuizen. 'Onder alle voorname mannen die in Haarlem zijn geboren deed niemand aan het 'gansche Vaderland zulk eenen uitstekenden en wijduitgestrekten dienst, dan de beroemde en door zijne Christelijke deugden vereerenswaardige Stichter der Maatschappij Tot Nut van 't Algemeen. Ook Jan was, naast boekverkoper, leraar in de doopsgezinde kerk.

 

De vader van Bieuwkje was visser, haar grootvader landbouwer, veerschipper, koopman en diaken in de doopsgezinde kerk. Het beroep van haar overgootvader is niet bekend, maar vormde in ieder geval geen belemmeing voor een huwelijk met de dochter van de dominee.

 

De grootvader van Bieuwkje, Douwe Johannes Wijnalda (1768-1803), was gehuwd met Bieuwkje Gjalts Gjaltema, dochter van Gjelt Ruurds Birsema en Antje Hepkes Buma. Op 3 december 1764 kreeg Gjelts Ruurds, die  tot de vermaning  in Kollum behoorde, de goedkeuring van Ellert Wijnalda om samen met zijn vrouw Antje Hepkes het avondmaal te vieren in Surhuisterveen.

 

 

Gjelt Birsema 

Gjelt Ruurds Birsema, de vader van Bieuwkje Gjalts Gjaltema, was boer en herbergier. Hij werd geboren in Kollum in het jaar 1723 en doopsgezind gedoopt te Surhuisterveen op 30 december 1761.  Hij is overleden te Surhuisterveen op 26 juli 1793. Ook zijn vader, Ruurd Douwes Birsema, was boer. Hij was getrouwd met Aafke Gjelts Jeltema, de dochter van een boer en ysecramer en een winkelier en ysecramer. In 1698 was hij voor tweederde eigenaar en gebruiker van stem 15 te Kollumer Kerckebuiren. De zwager van Aafke was grootschipper in Kollum.

 

De Roskam

Aafke Gelts Jeltema trouwt drie keer: in 1718 met Ruurd Douwes Birsema uit Leek, in 1727 met Klaas Aukes Poutsma en in 1752 met Jouke Keimpes, de beide laatsten uit Kollum. In 1750 koopt zij als huisvrouw van de "innocente" Kollumer brouwer Klaas Aukes de helft van de herberg de Roskam. Op dat tijdstip is Gjelt Ruurds, een zoon uit haar eerste huwelijk, huurder van die helft. Ook deze zoon is brouwer. Volgens de speciekohieren woont hij in 1751 en 1752 in nummer 112 (waarschijnlijk is dit de herberg); zijn moeder woont op nummer 118. In 1753, dus na het huwelijk van Aafke met Jouke Keimpes, verwisselen beide van nummer.

Bij akte van 26 april 1758 zijn Jouke Keimpes, meester wagenmaker te Kollum, en Aafke Gelts 200 carolusguldens schuldig aan het Kollumer jeneverstokersechtpaar Govert Backerus en Hinke Allerts. Nog hetzelfde jaar, bij akte van 12 december 1758 hebben ze 330 carolusguldens schuld aan Jan Idsardi als curator van Johanna Douwes voor de ene helft en aan Trijntje Jans voor de andere helft, voor geleverde jenever en ander gedistilleerd. De eerste is een dochter, de tweede de weduwe van Douwe Johannes Stellingwerf.

Volgens de speciekohieren overlijdt Jouke Keimpes in 1759. Een paar jaar daarna, bij akte van 16 april 1761 (inv.nr. 113, blad 304) verkoopt de weduwe haar helft voor 536 carolusguldens en 11 stuivers aan het echtpaar Govert Backerus en Henke Alderts. De eigenaar van de andere helft, Freerk Jans Minnema, doet echter met succes een beroep op het niaarrecht op grond van gemeenschappelijk eigendom (ratione communionis).

 

Antje Hepkes Buma 

Ook Antje Hepkes Buma (1730-1778) kwam uit een doopsgezind milieu. Zij is waarschijnlijk gedoopt en aangenomen in februari 1754. Haar vader was Hepke Berends Buma, veenbaas en boer op de Bumaheerd te Vierhuizen bij Surhuizum. Haar grootvader en overgrootvader waren respectievelijk scuytevoerder (schipper op een (dek)schuit of een lichter, een klein vrachtschip) en boer.

 

Na het graven van de Surhuisterveenstervaart kwamen er twee draaibruggen over de vaart te liggen, waarvan een bij Buwetille. Buwetille betekent de brug van Buwe.Tegenover de brug staat al eeuwenlang een boerderij, vroeger Bumaheerd genaamd, waar generaties lang Buma’s hebben gewoond. De naam Buma is afgeleid van Buwe.

 

 

Een neef van Antje (de zoon van haar broer Egbert), Hepke Egberts Buma maakte in 1783 een tweeweekse reis door Holland, waarvan hij in dichtvorm verslag doet. Het Nieuwsblad van Noord-Oost Friesland deed er op vrijdag 29 november 1974 verslag van.